In het taalgebruik vereenzelvigen de meeste mensen zich met hun werk, hoe ze zich voelen, hoe ze heten, leeftijd, enzovoort. Iedere keer als je zegt: ‘Ik ben …..’, bevestig en versterk je jezelf erin één te zijn met: je gevoel, je werk, ziek zijn, leeftijd, enzovoort. Daardoor word je er steeds meer één mee.
Van jongs af aan leer je om dit soort zaken zo te benoemen; gewoon door het voorbeeld van je ouders, familie, vrienden en op school: “Ik ben: .. jaar, boos, verdrietig, Nederlander, enzovoort” en “Jij bent: stout, lief, vervelend, enzovoort.”

Je bent het niet
Je bent niet: wat je voelt, wat voor werk je doet, je leeftijd, hoe je je gedraagt of uit, enzovoort. Het is slechts een deeltje van je. Daarom is het beter om het als een kenmerk van je te benoemen, zodat je je er niet mee vereenzelvigd. Dat geeft je ruimte om te veranderen en vooral om compleet jezelf te zijn.
Het is dus goed om jezelf aan te leren, dat je zegt:
– Ik heet …….;
– Mijn leeftijd is ……,
– Ik verdien mijn geld met ……, door te …. , of als ……
of
als werk doe ik …..;
– Ik voel me boos, verdrietig, alleen, enzovoort;
– Ik heb ………….(een ziekte)

Er voorbij komen
Door zo te denken en te spreken, help je jezelf om meer te zijn, dan wat je voelt, doet, enzovoort. Je komt daardoor ook beter voorbij je gevoel van het moment. Je houdt daarmee alles een beetje meer in beeld, wat ook bij jou hoort.

Misschien is dit een mooi voornemen voor 2020: zorgvuldig je woorden kiezen om je uit te drukken.